COLUMN

Tot mijn grote verrassing viel de eerste column die ik ooit schreef in de prijzen. Ik deel hem met rode konen. Van schaamte, maar toch ook een beetje van trots. Is het echt gebeurd? Dat is natuurlijk een staatsgeheim.

WIE IS DE BLAAS

‘Ken ik jou niet ergens van?’ We kijken elkaar aan, wachtend tot de brug over het IJ weer dichtgaat. ‘Oh ja, het kampeerveldje op Terschelling, jij bent van die plasemmer!’ Oh ja. Echt hoe ik graag herinnerd wil worden tijdens een dagje Amsterdam. Toch denk ik dat er meer mensen zijn die mijn plas-escapades nog wel eens ophalen tijdens een borrel. Het lijkt erop dat ik een heuse reputatie aan het opbouwen ben. Als ik moet plassen, dan moet ik écht. En wel nu. Dus niet eerst strompelen over de camping in het holst van de nacht. Niet eerst wachten tot de file eindelijk is opgelost. Niet eerst keuvelen in de rij met veel te veel vrouwen. Dat worden plasemmers, vluchtstroken en verontwaardigde plasconcurrenten.

Van nature kleur ik het liefst binnen de lijntjes. Het prototype braafste meisje van de klas, zuinig op haar karmapunten. Als ik iets doe wat niet zo fraai, kan ik er de klok op gelijk zetten dat het uitkomt. En het is ook aan me te zien. Alsof er acuut een vliegtuigje boven me verschijnt, waar mijn daad in hoofdletters en een uitroepteken achteraan wappert. ‘ZEIKERT DEED HET WEER!’ De politieagent staat al klaar, het bonnenboekje paraat.

De realiteit is dat de plasetiquette gewoon niet altijd bij mijn mogelijkheden past. Neem het schattige vakantiehuisje van laatst. De advertentie spreekt van een tiny house aan zee. Tiny: check. Aan zee: ik keur hem goed. Wat er niet bij staat, is dat de slaapverdieping te bereiken is via een gammel, steil trapje. De wc? Beneden. Meteen duikt een vertrouwde onrust op, die zich comfortabel nestelt in mijn buik. Eerst die ladder maar eens proberen, misschien valt het mee, denk ik hoopvol. Wiebelend en vloekend lukt het me mijn zware tas boven te krijgen, maar het is me duidelijk. Met een slaapdronken hoofd wordt dit helemaal niks.

Geroutineerd lepelt mijn brein de aanvaardbare mogelijkheden op. Een plasemmer is altijd de eerste keus. In een emmer mag je de goorste dingen doen. Een plasje is niks. Een grondige scan door het huis maakt het echter klip en klaar dat de oplossing helaas van de onorthodoxe soort gaat zijn. Zuchtend duik ik in de keukenkastjes en rommel tussen de schamele voorraad keukenspullen. Dan valt mijn oog op een blauwe, glimmende slacentrifuge. Hij is perfect. Maar oh. het is een slacentrifuge. Ik twijfel. Ga ik dit echt doen? Eigenlijk weet ik het antwoord al. Als een dief in de nacht gris ik mijn fleurige redder in hoge nood uit de kast en sluip ermee naar boven. Vol schaamte, vol afschuw, maar vooral: met een nu al opgelucht ademhalende blaas.

‘Heb je het fijn gehad hier?’ Verwachtingsvolle ogen kijken me aan. Niks laten merken, niks laten merken, niks laten merken. ‘Ja hoor, een prima verblijf’. Ik voel hoe mijn hoofd buiten de lijntjes bloost. Tijd om te gaan. In de online evaluatie doe ik het enige wat ik nog kan doen. Was het schoon? Jazeker. Vijf sterren.